Follow-up

De oogarts moet in eerste instantie zekerheid hebben over de diagnose, aangezien sommige andere aandoeningen zoals dominante opticusatrofie of het Wolfram-syndroom, met een beginnende LHON verward kunnen worden.

Bovendien kunnen sommige vormen van optische neuropathieën gepaard gaan met neurologische klachten. Onderzoeken, zoals een MRI van de hersenen of een analyse van het hersenvocht, zijn soms noodzakelijk om neurologische aandoeningen, zoals MS, uit te sluiten.

Ongeacht of één van de voor LHON geschikte behandelingen – vitamines, Q10 co-enzym en idebenon (dat voor deze indicatie een vergunning voor het in de handel brengen heeft verkregen) – wordt voorgeschreven, dient er een oogheelkundige, neurologische, genetische, radiologische en sociale follow-up plaats te vinden. Al deze maatregelen moeten gepaard gaan met verstandige voorzorgsmaatregelen zoals stoppen met roken en alcohol, twee toxische middelen die de laesies kunnen verergeren. Geneesmiddelen en toxische middelen die inwerken op de mitochondriën dienen eveneens vermeden te worden.

Zodra de diagnose is gesteld, dienen er herhaaldelijk oogheelkundige onderzoeken plaats te vinden om het verlies van het gezichtsvermogen in kaart te brengen: unilateraal of bilateraal. Beide kanten kunnen gelijktijdig of opeenvolgend (gemiddeld 2 maanden na elkaar) worden aangetast.

Door follow-up van de oogarts – achterkant van het oog, OCT-onderzoek, angiografie, onderzoek van het gezichtsveld, meting van de visuele reactiepotentialen – kunnen eventuele tekenen van herstel, die zich zelfs meerdere jaren na het begin van de ziekte kunnen voordoen, worden opgespoord.

 

rare disease days poster